De satan, ook wel aangeduid als de duivel of Lucifer , wordt door joden en christenen gezien als een gevallen (aarts-)engel, die door God uit de hemel werd geworpen toen deze tegen God in opstand kwam. Hij is de leider van rebellerende gevallen engelen, die onder zijn aanvoering God verlaten hebben en wordt gezien als de verpersoonlijking van het kwaad. Volgens moslims is hij geen engel maar een djinn.
Satan is volgens traditionele christenen, joden en moslims nooit gelijkwaardig aan God en verwerpen dan ook de gedachte dat er een soort tweestrijd aan de gang is tussen een 'macht van het goede' en een tegengestelde 'macht van het kwade', die even sterk zijn. God heeft het laatste woord.
Een groot deel van de populaire, algemeen bekende kenmerken van de duivel zijn niet Bijbels, maar bestaan uit een mengeling van oude en nieuwe opvattingen. Dit verschil tussen de Bijbelse Duivel en de buiten-Bijbelse duivel valt meestal in het 'voordeel' van de laatste variant uit.
De benaming satan komt uit het Hebreeuws en betekent 'lasteraar', 'verzoeker', 'scheidingmaker, 'tegenstander' en soms ook 'zwerver'. Het ook veel gebruikte synoniem duivel is van het Griekse diábolos afkomstig en heeft soortgelijke betekenissen.
Satan is in taaltechnisch opzicht dus geen naam maar een zelfstandig naamwoord of een titel. Christenen en moslims zien satan als een enkele persoonlijkheid, een opstandige geest die verantwoordelijk is voor het verderf op aarde maar wiens dagen geteld zijn.
Volgens de traditionele, christelijke theologie was satan oorspronkelijk een van de machtigste aartsengel(en) van God. Hij werd echter jaloers op God, wilde zich aan Hem gelijkstellen, en werd God ongehoorzaam (keerde zich af van God). Dit luidde zijn val in. Hierbij wist hij een derde van Gods engelen aan zijn zijde te krijgen. Deze 'gevallen engelen' verwerden tot demonen die satan tot leider verkozen. Volgens verschillende bijbelpassages was de voornaamste drijfveer van satan trots. Hieruit volgde hoogmoed en jaloezie op God. Satan verlangde Gods plaats in te nemen en goddelijke eer en aanbidding te ontvangen. Zijn volgelingen, gevallen engelen en mensen, verlangen ten diepste hetzelfde. Achter veel 'succesvolle' mensen in verleden en heden, zoals dictators, valse profeten en rijkaards, zouden satan en zijn demonische engelen de bewerkstellers van dit 'succes' zijn.
De val van de satan en zijn engelen moet voor de schepping van de mens hebben plaatsgevonden want hij treedt in het paradijs al op in de vorm van de slang die Adam en Eva verleidde tot de zondeval. Met deze zondeval verkreeg Satan van Adam, die oorspronkelijk door God aangesteld was als beheerder, het beheer over de Aarde en word daarom soms ook, terecht, de 'overste van deze wereld' genoemd. Sindsdien zou er een gevecht gaande zijn tussen God en satan om de mensheid. Beiden proberen de mens te overtuigen. God, om hem in de genade door Jezus te laten geloven en daarmee Gods wil te doen. Satan, om hem te verleiden tot het kwade en zich afzijdig van God en de genade van Jezus te houden. Daarbij wordt satan slechts door God geduld om de vrije wil van Zijn schepselen te waarborgen. Omdat Satan een sterke afkeer van God heeft heeft hij ook een afkeer van diens schepping. Hij en zijn demonen zouden daarmee ook het 'kwaad' op de wereld veroorzaken zoals natuurrampen maar ook geweld en onenigheid tussen mensen veroorzaken en 'aanwakkeren'. Ook het vernederen en martelen, fysiek en/of geestelijk, wat mensen veel op elkaar toepassen zou veel aangewakkerd worden door satan die hierdoor zijn grote minachting voor de door God geschapen mens toont.